Make your own free website on Tripod.com

 

Raskenmerken

Bij de beoordeling van de Deense Tuimelaar worden de volgende onderdelen in deze volgorde benoemd:

  1. Type en stand

  2. Hals- en beenlengte

  3. Kop en snavel

  4. Oog en oogranden

  5. Kleur en tekening

 

1. Type en stand

Bij het type van de Deense Tuimelaar moeten we vooral letten op een krachtige naar voren gedragen borst, dit in tegenstelling tot alle andere langsnavelige tuimelaars die nauwelijks borstbreedte moeten laten zien. Het spreekt vanzelf dat een lege krop nooit een volle borst zal laten zien!

Het type moet ook elegant zijn, die elegantie laat zich zien in een slanke, soepele hals, een goede verhouding tussen de hals- en beenlengte en een kort achterpartij. Vanuit de brede borst verloopt de hals vol uit het lichaam, naar boven “verjongend” tot in de diepe keeluitsnijding. Het is van essentieel belang dat de keel diep is uitgesneden, dat geeft de vogel extra cachet!

Op de foto hiernaast is een toonaangevende zwartroek duivin met een uitmuntende type te zien. Door de diepe keeluitsnijding en haar borstbreedte laat ze een fraaie halsvorm zien, tevens komt de koplengte door de dunne bovenhals veel beter uit de verf.

Vanuit de borst verlangen we ook een krachtige rug. Wordt de rug te smal dan zullen onmiddellijk de vleugels te veel gaan kruisen, wat niet toegestaan is.

Het achterpartij dient kort te zijn, een in verhouding tot de hals en benen korte staart geeft de vogel meer elegantie en dat verdiend de voorkeur.

De vleugels worden op de staart gedragen, de rug goed afdekkend en strak tegen het lichaam gehouden. De vleugelboegen zijn bij voorkeur “ingebed” in de brede borst.

 

De stand:

Deze dient afhellend te zijn, volgens het boekje moet de ruglijn een hoek van 50° maken met de vloer. Wij zijn al tevreden met een afhellende ruglijn.

Het komt regelmatig voor dat een Deense Tuimelaar een horizontale stand aanneemt tijdens de keuring. De oorzaak hiervan kan zijn:

  1. de vogel drukt zich vanwege nerveusiteit of onwennigheid aan de kooi

  2. beeninplanting te ver naar voren, daardoor stand te vlak.

Het onderscheid hiertussen is voor de beoordeling van groot belang. Te allen tijde dient de keurmeester met geduld de vogel de tijd te geven zich in, zoals de Denen noemen, “paradestelling” te laten tonen. Soms moeten we hierbij de vogel eventjes uit de kooi nemen en langzaam terugzetten, in negen van de tien gevallen toont een Deense Tuimelaar nu wel de goede afhellende stand. Mocht de vogel na terugplaatsen zijn horizontale stand blijven aanhouden, is het zeer waarschijnlijk dat de vogel een foutieve beeninplant heeft (te ver naar voren!). Dit is een grote fout en moet streng worden bestraft.

 

2. Hals- en beenlengte

na “type en stand” is de beoordeling van de “hals- en beenlengte” een belangrijk onderdeel. Zowel hals- als beenlengte dienen goed middellang te zijn. De halslengte vormt over het algemeen geen groot probleem, de benen willen nogal eens aan de korte kant zijn, vooral bij eksters en de zeldzamere kleurslagen. Ook dient naar de verhouding gekeken te worden: de halslengte dient ongeveer gelijk te zijn aan de beenlengte! Over het algemeen kunnen hals en benen niet te lang zijn, echter bij o.a. zwartroeken met veel hals- en beenlengte komt het voor dat de borst erg smal is, het type toont dan tč lang!

 

3. Kop en Snavel

De kop:

De beoordeling van de kop vormt een van de moeilijkste onderdelen van de keuring. In de standaard staat het nog vrij eenvoudig: “van terzijde gezien een ononderbroken licht gewelfde lijn vanaf snavelpunt tot het achterhoofd”. We beoordelen de kop “in de hand” altijd in zijaanzicht en van voren, we letten daarbij op de volgende punten:

  1. de kopvorm

  2. de koplengte- en breedte

  3. de kopvulling (voorhoofdsvulling)

 

a. Bij de beoordeling van de kopvorm beginnen we met het achterhoofd. Het achterhoofd moet goed gerond en “kort” zijn. Dit betekent dat “de achterhoofds-knobbel” niet of nauwelijks te voelen mag zijn!! Het hoogste punt van de kop ligt boven het oog, vanaf dat punt verlangen we een lichte booglijn die zonder onderbreking eindigt tot aan de snavelpunt. Het oog ligt

“midden in de kop”:  het gedeelte voor het oog en achter het oog is dus ongeveer gelijk. Enkele kopvormfouten zijn weergegeven in tekeningen achterin dit boekje.

b. De lengte van de kop wordt bepaald door de voorkoplengte en de snavellengte, beide moeten voldoende lang zijn. Bij een lang voorhoofd wordt de voorkop in de regel vlakker, op zich is dat geen probleem mits een lichte welving zichtbaar blijft. In vooraanzicht bepalen wij de breedte van de kop, een breed voorhoofd verdiend absoluut de voorkeur, nadeel is dat de neusdoppen dan grover worden en de kans op “kneep” toeneemt! In vooraanzicht bepalen we tevens of de kop een goede wigvorm heeft.

 

Figuur: links een goede, wigvormige voorkop, rechts een “geknepen” voorkop

 

c. De voorkop moet goed gevuld zijn. We dienen onderscheid te maken in een “echte kneep” (=onvoldoende voorkopvulling)  en een “relatieve kneep”: door te grove neusdoppen lijkt de vulling onvoldoende. Dat laatste komt nogal eens bij oudere doffers voor en is minder erg.

 

De snavel:

Bij de snavel letten we op de vorm, lengte, belijning, inplanting en de kleur. De snavel dient “kegelvormig” te zijn: krachtig aangezet en gelijkmatig afnemen in dikte naar de snavelpunt toe. De lengte moet volgens de Deense standaard  24 –26 mm zijn, van mondhoek tot snavelpunt gemeten. Een lange snavel verdient altijd te voorkeur, mits de vorm goed is!

De bovenlijn van de snavel moet met de lijn van de voorkop meelopen. Bij een “stijve snavel” loopt de bovenlijn van de snavel te recht, bij een “hangsnavel” te krom. Bij de snavelinplanting letten we er op dat de verlengde lijn tussen de snavelhelften “midden door het oog” loopt. In de praktijk levert dat weinig problemen op!

De kleur van de snavel is “licht hoornkleurig”, bij witroeken zelfs blank. Aan de snavelbasis geeft een rood doorbloedde gloed de vogel extra rasadel! Zwarttijgers, donker- en lichte branders hebben een zwarte snavel.

Bij zwarte en ook blauwe kleurslagen is een (lichte) aanslag op de bovensnavel toegestaan. Ook de neusdoppen moeten we niet vergeten, deze behoren goed aanliggend te zijn en niet te grof. Te bolle neusdoppen dienen te worden bestraft. Vóór de tentoonstelling wordt de neuswrat vaak “gepoetst” om de rode kleur te accentueren.

 

4. Oog en oogranden

 

het meest opvallende eigenschap van de Deense Tuimelaar, bij alle kleurslagen, is zonder twijfel zijn “pareloog”. De welbekende heer Spruijt omschreef het als volgt:” Het Deensche Tuimelaaroog is het meest volmaakte Tuimelaaroog wat men tot nu toe kent, en het is mede dit oog, dat aan den volbloedvogel den adel en het karakter geeft”.

De ogen van de Deense Tuimelaar liggen midden in de kop, zijn groot, helder en levendig! Bij de beoordeling letten we op de iriskleur en de pupilvorm.

De kleur is wat we noemen “melkwit” zonder rode adertjes, alles anders dan “melkwit” dient te worden bestraft. Wel dient er rekening mee worden gehouden dat niet alle kleurslagen perfecte ogen (kunnen) hebben, zeldzamere kleurslagen als stippers, gehelmden, rood- en geelzilvers hebben in de regel een iets mindere oogkleur!

De pupil ligt volkomen centraal, is klein, rond en scherp begrensd, afwijkingen zoals een uitgezakte pupil of een onscherp begrensde pupil zijn fouten.

De oogranden moeten smal zijn en intensief rood gekleurd, ook de vorm is van belang: deze dient rond te zijn: een afhangend boven- of onderooglid (zie tekening hiernaast) dient te worden bestraft. Dat zelfde geldt voor bleke en/of grove oogranden.

De zwarttijgers en donker- en lichte branders hebben donkere tot zwarte oogranden!

( N.b. volgens de standaard dienen de oogranden “tweerijig” te zijn, hier hoeven we bij de beoordeling niet op te letten!)

 

5. Kleur en tekening

  De volgende variëteiten worden op dit moment gefokt en tentoongesteld. Enkele kleurslagen staan in de standaard, maar worden niet (meer) geshowd.

 

variëteit

kaalbenig

zwart

rood

rood zilver

geel

geel zilver

blauw geb.

blauw ongeb.

parel geb.

wit

Roek (eenkleurig)

x

x

x

x

x

x

x

x

x

geëksterde

x

x

 

x

 

x

 

x

 

getijgerd

x

x

 

x

 

 

 

 

 

witpen

x

x

x

x

x

x

 

 

 

witstaart

x

x

 

x

 

 

 

 

 

Witpen-witstaart

x

x

 

x

 

 

 

 

 

gehelmd

x

x

 

x

 

x

 

 

 

witschild

 

x

 

x

 

 

 

 

 

kleurschild

x

 

 

 

 

 

 

 

 

stipper

zilver

geel

bruin

 

 

 

 

 

 

brander

donker

licht

 

 

 

 

 

 

 

gekrast

blauw

 

 

 

 

 

 

 

 

 

variëteit

bekousd

zwart

rood

rood zilver

geel

geel zilver

blauw geb.

blauw ongeb.

parel geb.

wit

Roek (eenkleurig)

x

x

 

x

 

x

 

 

x

stipper

zilver

geel

bruin

 

 

 

 

 

 

 

Blauwzilvers zijn wel erkend in Duitsland maar niet in moederland Dene-marken, blauwtijgers werden vroeger regelmatiger geshowd, maar zien we helaas niet meer.

We stellen hoge eisen aan de kleuren van de Deense Tuimelaar!!

 

Bij de beoordeling van de kleur letten we op:

  1. de grondkleur

  2. de lakkleur

De grondkleur dient intensief, helder en egaal te zijn bij de zwarte, rode en gele kleurslagen. De “kopkleur” moet gelijk zijn aan de rug-, stuit- en staartkleur (en slagpenkleur bij roeken, tijgers e.d.). Bij de blauwe kleuren en rood- en geelzilvers dient de “kopkleur” gelijk te zijn aan de rugkleur, waarbij een lichte kopkleur wordt nagestreefd. De parelkleurigen hebben een zo “licht romig” mogelijke grondkleur.

Bij zwart wordt een inktzwarte grondkleur verlangd, bij rood een roodbruine intensieve grondkleur en bij geel een heldere, lichtgele (strogeel!) grondkleur. Blauwkleurigen hebben een helder blauwe grondkleur.

 

De lakkleur beoordelen we voornamelijk aan de hals en bovenborst. De zwarte čn rode kleuren moeten een “rode” lakkleur op de hals hebben (rest van het lichaam mag anders zijn). De gele hebben een rode zijdeachtige gloed op de hals. De blauwe kleuren moeten een “groene’ lak op de hals hebben en parelkleurigen een zachte groene gloed.

Andere variëteiten:

De brander heeft een “kastanjebruine” kleur met een rode zijdeachtige gloed in de hals. De zilverstipper heeft een witte zijdeachtige grondkleur met een lichtgrijze kopkleur en een zijdeachtige roodglans in de hals.

De geelstipper heeft een terracottagele grondkleur met een zijdeachtige roodglans op de hals en de bruinstipper heeft een donkerbruine grondkleur met eenzelfde glans.

 

Tekening: zie de beschrijvingen bij de standaard.