Make your own free website on Tripod.com

 

 

 

DEENSE TUIMELAAR

 

Land van oorsprong

Denemarken

 

Algemeen voorkomen

Krachtige, elegant, slank, opgerichte houding met naar voren gedragen borst; zuiver pareloog; enkele kleurslagen ook bekousd.

 

Raskenmerken

Type: 

Elegant, slank.

Stand:

Rijkelijk middelhoog, afhellend.

Kop: 

Vanaf de snavelpunt tot het achterhoofd een ononderbroken. licht gewelfde lijn vormend; voorhoofd voldoende lang en goed gevuld; achterhoofd goed gerond; altijd ongekapt.

Ogen:  

In het midden van de kop liggend, met zuivere melkwitte iris (zonder rode  adertjes) en kleine zuiver ronde, zwarte pupil.

Oogranden: 

Smal; zie voor kleur bij kleurslagen.

Snavel:     

Krachtig aangezet, kegelvormig, met de kop een licht naar beneden 

Keel:    

Goed uitgesneden.

Hals:    

Goed middellang, rechtop gedragen, vol uit het lichaam komend, naar boven dunner wordend

Borst:   

Goed ontwikkeld, hoog en naar voren gedragen.

Rug: 

Krachtig, afhellend.

Vleugels:  

Krachtig, strak tegen het lichaam gedragen, de rug goed afdekkend en op de staart rustend.

Staart: 

Niet te lang, goed gesloten, met de rug een afhellende lijn v

Benen:

Rijkelijk middellang; meestal loopbenen onbevederd, alleen eenkleurige, gebande en stipper ook met bekousde benen; nagelkleur zie bij kleurslagen.

Bevedering:  

Glad en strak aanliggend

 
Kleurslagen

 

A. Gladbenig:

zwart, wit , rood, geel, blauw ongeband, parelkleurig ongeband en blauwgekrast;

blauw zwart-, blauwzilver-, parelkleurig-, roodzilver- en geelzilver geband;

zwart-, rood-, geel-, blauw-  en parelkleurig geŽksterd;

zwart-, rood-, geel-, blauw-  en parelkleurig getijgerd;

zwart-, rood-, geel-, blauw zwartgeband- en parelkleurig geband witstaart;

zwart-, rood-, geel-, blauw zwartgeband- en parelkleurig geband witpen;

zwart-, rood-, geel-, blauw zwartgeband- en parelkleurig geband witpenwitstaart.

zwart-, rood-, geel-, blauw- en parelkleurig gehelmd;

zilver-, geel- en bruin stipper;

donker- en lichte brander;

rood- en geel witschild;  zwartschild;

 

B. Bekousd:

zwart, wit, rood, geel, blauw ongeband;

blauw zwart-, parelkleurig-, roodzilver- en geelzilver geband;

zilver-, geel- en bruin stipper.

 

Kleur en tekening

 

Zie voor kleuren en tekening variŽteiten het hoofdstuk ďSpecificatie van kleurenĒ in de NBS-standaard.

De kleuren intensief, respectievelijk zuiver wit met zijdeachtige glans; zwart, rood en geel met rode (niet groene!) glans;  blauw en parelkleurig met groene (niet roodachtige!) glans.

 

Eenkleurig: oogranden levendig rood; snavel en nagels bij wit blank, bij de andere kleurslagen lichthoornkleurig, zonder stip op de bovensnavel, m.u.v. zwart waar een stip op de bovensnavel is toegestaan.

Geband: rood- en geelzilver met zachte witroze resp. crŤmig-gele grondkleur en rode resp. gele hals en banden. De gesloten slagpennen en de staart licht, geopend tonen de vleugels en de onderzijde van de staart een spiegel.  Oogranden, snavel- en nagelkleur als bij de eenkleurige.

Gekraste:  regelmatige, scherpe krastekening. Oogranden, snavel- en nagelkleur als bij de eenkleurige.

GeŽksterd: ekstertekening: gekleurde kop en staart inclusief boven- en onderstaartdek; harttekening op rug niet over de vleugels reikend; borsttekening tot aan het borstbeen; kleurscheidingen scherp.  Oogranden levendig rood, snavel licht, zonder stip m.u.v. zwart; nagels licht; bij zwartgeŽksterd is een donkere stip op de bovensnavel en een lichte aanslag op de ondersnavel toegestaan; nagels licht.

Getijgerd:  Kop, bovenhals, slag- en staartpennen met boven- en onderstaartdek gekleurd, de overige bevedering wit met hier en daar regelmatig verdeeld gekleurde veren, zonder gekleurde borstband.  Oogranden zwart bij zwart, bij de andere kleurslagen rood; snavel en nagels zwart bij zwart, bij de overige kleurslagen lichthoornkleurig.

Witstaart:  staart met boven en onderstaartdek wit; overige bevedering gekleurd.  Oogranden, snavel- en nagelkleur als bij de eenkleurige.

Witpen:  aan elke vleugel 6-10 aaneengesloten buitenste slagpennen wit, overige bevedering gekleurd; gekleurde duimveren worden nagestreefd.  Oogranden, snavel- en nagelkleur als bij de eenkleurige.

Witpen-witstaart:   als bij witpen en witstaart. Oogranden, snavel- en nagelkleur als bij de eenkleurige.

Gehelmd: bovenkop, begrensd door een vanaf de snavelhoeken door het oog gaande lijn

en de staart met boven- en onderstaartdek gekleurd, de overige bevedering wit.

Oogranden, snavel- en nagelkleur als bij de eenkleurige. 

Stipper:

- zilverstipper: grondkleur wit, hals en borst met zijdeachtige roodglans; over het hele lichaam zwarte spikkels (stippen) die ook op de slag- en staartpennen op witte ondergrond als langwerpige zwarte vlekken aanwezig moeten zijn.  Kop lichtgrijs met donkere wangen.

- geelstipper: grondkleur terracottageel, hals en borst met zijdeachtige roodglans; op het

lichaam zwarte spikkels, op de slag- en staartpennen op zo licht mogelijke ondergrond donkere en gele vlekken .

- bruinstipper: grondkleur heel gelijkmatig diep donker bruin met sterke roodglans en zwarte spikkels; op de slag- en staartpennen op  zo licht mogelijke ondergrond donkere en bruine vlekken.

Bij alle stippers wordt de kleur bij ouder worden donkerder.  Oogranden vurig rood; snavel en nagelkleur hoornkleurig en zo mogelijk zonder stip.       

Brander:

- donker brander: grondkleur intensief, diep kastanjebruin met zijdeachtige roodglans op

hals en borst; staart zo mogelijk kastanjebruin, meestal echter met zwarte aanslag en

zwarte staartband.  Slagpennen zwart uitlopend en "gebrand".

- lichte brander: kop en bovenhals intensief diep kastanjebruin.  Staart met boven- en

onderstaartdek zo mogelijk kastanjebruin meestal echter met zwarte aanslag en zwarte

staartband.  Slagpennen zwart uitlopend en "gebrand".  De overige bevedering wit met hier

en daar, zo mogelijk regelmatig verdeeld, k1eine kastanjebruine vlekken, zonder gekleurde

borstband. Bij alle branders oogranden, snavel en nagels zwart.

Witschild: vleugelschilden, rug en zo mogelijk veel slagpennen wit, de overige

bevedering gekleurd. Oogranden, snavel- en nagelkleur als bij de eenkleurige.

Zwartschild:  tegenovergestelde van witschild: vleugelschilden, rug en zo weinig

mogelijk slagpennen zwart, overige bevedering wit. Oogranden, snavel- en nagelkleur

als bij de eenkleurige.

 

Fouten

Geen harmonische type; te lang of smal lichaam; ontbrekende borstvulling; te lage of

horizontale stand;  korte hals; aanzet tot bagadettenknobbel; volle keel; te veel of niet

goed geronde achterhoofd ; onderbroken voorhoofdsbelijning of deuk in de voorkop;

kneep;  te korte of te dunne snavel; snaveldruk; te recht in de voorkop; onzuivere iris;

grove, brede of te lichte oogranden; brede of open staart; ontbrekende glans;

groenglans bij zwart, rood en geel; roodglans bij blauw en parelkleurig;  niet

tot aan de schacht doorgekleurde slag- en staartpennen als deze gekleurd worden

verlangd; ernstig afwijkende tekening; bij bekousd te krappe beenbevedering; minder

dan 12 staartpennen bij witstaarten en witpen-witstaarten;

 

Beoordeling

Na het algemeen voorkomen zijn de volgende raskenmerken in onderstaande volgorde van betekenis:

 

1.        Type en stand

2.        Hals- en beenlengte

3.        Kop en snavel

4.        Oog en oogrand

5.        Kleur en tekening

 

Ringmaat:      8mm (R)

Bekousd:        9mm